
“Een klont is een institutie, een stukje gevestigde orde, dat een eigen, vaak onherkenbaar en moeilijk te begrijpen leven leidt. Ontklonteren is het doorbreken van dit systeem met de bedoeling mensen weer in contact te brengen met mensen en niet met systemen.” Frank van Klingeren, 1967
Ontklontering werd in de jaren zestig als begrip in de architectuur geïntroduceerd door de architect Van Klingeren en werd het centrale begrip van zijn werk. De industrialisatie had in zijn optiek de maatschappij verklonterd. Het publieke domein verloor hierdoor de sociale samenhang. Hij duidde op processen van maatschappelijke differentiatie, institutionalisering, specialisatie en privatisering. In het werk van Van Klingeren manifesteerde ontklontering zich als het weghalen van muren en het mengen van functies. Door nieuwe mogelijkheden voor ontmoeting en openbaarheid te creëren hoopte van Klingeren tegenwicht te bieden aan de verklontering. Multifunctionaliteit was de oplossing voor de vervreemding die ontstaan was in de maatschappij. Van Klingeren wilde zo meer plaatsen van ontmoeting realiseren en tot dialoog prikkelen. Het tot dialoog prikkelen nam Van Klingeren letterlijk. Hij koppelde het begrip ontklontering altijd aan het begrip ‘Hinder’. Hinder was in zijn optiek een niet te vermijden gevolg van het ontklonteren. Daar waar mensen samenkomen en een ruimte voor verschillende functies geschikt is, kunnen tegengestelde belangen bestaan, waardoor fricties ontstaan. Ingebouwde overlast was voor hem een strategie om af te dwingen dat de leden van een gemeenschap elkaar opmerken en zich openstellen voor wat de Ander bezighoudt. Confrontaties waren volgens Van Klingeren een vruchtbare conditie. Het was namelijk een eerste vorm van contact welke zich kon ontwikkelen tot vriendschap of tot vijandschap, en alles wat daartussenin ligt. Deze confrontaties zouden tolerantie en respect afdwingen.
De thema’s Hinder en Ontklontering kwamen in steeds radicalere vorm tot uiting in de ontwerpen van Klingeren met als climax de op de mega-structuren uit jaren zestig gebaseerde en gerealiseerde Meerpaal (1965-1967) in Dronten en ‘t Karregat in Eindhoven (1970-1973). Het zijn gebouwontwerpen die gekenmerkt worden door multifunctionele ruimtes die aan de meest uiteenlopende behoeftes tegemoet zouden moeten komen, en die continu herprogrammeerbaar zouden zijn. Deze centra lieten ruimtes en faciliteiten voor de meest uiteenlopende activiteiten fuseren tot een ‘integrale belevingswereld’.
De Meerpaal, Dronten
In 1967 opende koning Juliana eigenhandig dit ‘fenomeen’ dat betiteld werd als ‘het ding van Dronten’ (5). In de pers was er veel aandacht voor dit vernieuwende gebouw. Van heinde en verre kwamen belangstellenden naar de Meerpaal kijken. Ook de televisie ontdekte deze unieke hal. Stuif ‘s in, Telebingo en andere uitzendingen werden er opgenomen. Het ontwerp werd gekarakteriseerd door een centraal gelegen overdekt plein van 50 bij 70 meter welke een voortzetting was van het plein dat buiten het gebouw lag. Rond deze ruimte zijn volumes toegevoegd die voorzien in een theater, een restaurant, vergaderzalen een tentoonstellingszaal en kantoortjes. Door dezelfde ruimte op verschillende manieren te gebruiken, had je volgens van Klingeren veel minder ruimtes nodig. Het plein werd gebruikt als markt en als volleybalveld. Alle kerkdiensten werden in De Meerpaal in dezelfde ruimte gehouden ongeacht de signatuur. Verhuur van de faciliteiten zou financiën genereren voor de culturele activiteiten die geen geld zouden opleveren. In praktijk bleek dit niet zo te werken. Als snel na de opening verschenen er in diverse kranten berichten dat De Meerpaal in financieel zwaar weer verkeerde. Door gebrek aan sportfaciliteiten in Dronten werd het gebruik van De Meerpaal als snel na opening gedomineerd door sportwedstrijden. Door het open karakter van het gebouw werd daarmee gebruik van de andere faciliteiten door de herrie uitgesloten. Het gebouw kon zo nauwelijks commercieel uitgebaat worden. Het resulteerde in grote tekorten. Er kwam zo snel een einde aan de primaire bedoelingen van het gebouw, het bieden van een allegaartje aan activiteiten aan de inwoners van Dronten. Toch werd het interieur pas in 1988 grondig verbouwd. Het open karakter verdween. Maar het gebouw werd er niet rendabeler van. Uiteindelijk werd De Meerpaal volledig gestript en opgenomen in nieuwe bouwplannen nadat sloopplannen in 1999 op verzet stuitten.
’t Karregat, Eindhoven
Aanvankelijk was Van Klingeren gevraagd om een centrum voor de wijk Herzenbroeken te ontwerpen met buurtvoorzieningen. Al snel werden twee scholen aan het programma toegevoegd, die minstens de helft van het oppervlak van het gebouw in beslag namen. Net als bij de Meerpaal werd de hoofdopzet gedomineerd door een doorlopend dak. Enkel waar het niet anders kon zijn wanden aangebracht. De gevels werden bijvoorbeeld aangebracht omdat het vanwege de klimatologische omstandigheden binnen noodzakelijk was. Van Klingeren had ze liever achterwege gelaten. De dakconstructie bestond uit stalen paraplu’s. Dit systeem was uitbreidbaar. Later konden er paraplu’s bijgeplaatst worden. Centraal in het gebouw ligt een verdiept plein. Aan een zijde van dit plein bevond zich het winkelgebied, aan de andere zijde het schoolgebied. Ook het schoolgebied kende zo min mogelijk muren. Sportzaal, vergaderzaaltjes en speellokalen waren voor ieders gebruik en werden dus gedeeld. De bibliotheek was tevens bedoeld als boekerij voor de scholen en als leestafel van het café. Al in 1977, vier jaar na oplevering, werd besloten tot een grootschalige verbouwing. Muren werden opgetrokken en er werd weer klassikaal lesgegeven. In de jaren negentig kwam na een nieuwe ingrijpende verbouwing een definitief eind aan het bruisende gemeenschapsleven in ‘t Karregat. De transparante
gevels werden dicht gemaakt en ieder onderdeel kreeg een eigen entree. (6)
“De peuters stalen de kadetjeskast van de bakker leeg, de dokter noteerde als hartslag van zijn patiënten het dreunen van de carnavalsmuziek, de café-bezoekers urineerden ‘s avonds tussen de schoolbanken, de leerlingen raakten nerveus en de leraren overspannen. Het stoffelijke gedeelte van Van Klingeren’s witte architectuur, het dak op pijlers, lekte en het onstoffelijke gedeelte, het Niets eronder, bleek stoffig. De carnavalsvereniging ging zich De Stofhappers noemen. In 1981 werden er voor zes miljoen gulden muren en afscheidingswanden onder het dak geplaatst. Zes miljoen gulden extra kostte het, acht jaar, veertig ingestorte leerkrachten, een waanzinnige bakker en zeshonderd toekomstige lijders aan ‘t Karregat-syndroom om van deze architect af te raken.” (7) – Gerrit Komrij in ‘Het boze oog’
Het grote meedoen
De ideeën van Van Klingeren waren typerend voor het tijdperk van het Grote Meedoen, dat halverwege de jaren zeventig een climax nadere, en dat gekenmerkt werd door de georganiseerde strijd tegen monotonie, leegte en verkilling. Moderne architectuur werd verantwoordelijk gehouden voor de kille functionalisering van de maatschappij; voor het ontstaan van onleefbare stadscentra, levenloze slaapsteden van grauw beton en de ontstane ‘monocultuur’. 8 Het idee over ‘ruimte’ sloeg in die tijd om. Waar voorheen de open ruimte werd gezien als een “eindeloos reservoir voor menselijke activiteit” en ze geassocieerd werd met “keuzevrijheid en democratie” was de oningevulde ruimte nu tot een bedreiging geworden. Ze werd niet langer geacht te functioneren als open podium waar zich een continu wisselend beeld van openbaarheid en burgerschap kon manifesteren. Ze was leeg en onherbergzaam. Het ‘buiten’ bleek niet langer de ruimte van de menselijke ontmoeting, het gemeenschappelijke podium.
Het idee dat de ruimte leeg bleef zolang de mensen er geen betekenis aan zou geven won terrein. Van Klingeren programmeerde naar aanleiding hiervan een overdosis programma’s en subprogramma’s in de ruimte om sociale interactie af te dwingen. De onvolmaakte en onaffe structuren van Van Klingeren waren bijna militant te noemen. De dwang om met het collectieve gebeuren mee te doen zou leiden tot confrontaties, die uiteindelijk tolerantie en respect afdwingen: een nauwelijks verkapte vorm van groepstherapie voor de gemeenschap. De architectuur hoefde slechts een weerspiegeling in te houden van de veranderingsprocessen in de mens; niets en niemand is volmaakt, maar alles en iedereen is veranderbaar. Camiel van Winkel wijst er in het boek ‘Moderne leegte’ op dat in de visie van Van Klingeren gemeenschapscentra zoals de Meerpaal en ’t Karregat slecht voorstadia waren van een ‘polynucelaire stad’ (9): ’een soort integrale stadswijk… een totaalgebeuren dat gericht is op ont-institutionalisering door middel van ontscholing en ontasylering, waar voor minder geld meer levenslustige proposities worden geboden en waar het wonen, creëren en recreëren de spiegel is van het leven en de ziel’ (10). In het verschiet lag voor hem een geradicaliseerde, nieuwe democratie, die zou verrijzen uit de as van de huidige – een ontklonterde samenleving waarin de mens van zijn maatschappelijke eenzaamheid zou zijn verlost en waarin alle monoculturen waren opgegaan in een “óneindige variatie van bloeiende bloemen.” (11)
Regie
Architectuur heeft een programma van eisen als basis, maar ze kan ook zaken in het leven roepen die daar niet in staan. Het gaat dus niet alleen over de vraag of Van Klingeren een geslaagde bouwvorm had gevonden, maar ook over of cultuur in staat was een plek te verwerven in het gebouw. Dat is nog maar de vraag. Er werd gedacht vanuit het verlangen een ruim publiek bij elkaar te brengen in een gebouw. Hierbij had de ontwerper slecht nagedacht over welke infrastructuur nodig was om activiteiten het beste tot hun recht te laten komen. De architectuur van Van Klingeren schoot in haar functionaliteit daardoor behoorlijk te kort. Flexibiliteit in functies bleek eerder contraproductief voor creatie en presentatie van cultuur dan dat het meerwaarde opleverde. De Meerpaal bleek een plek waar maar moeilijk panklare cultuur aangeboden kon worden. Het was meer een plek waar ‘vernieuwend aangerotzooid’ moest worden. Van Klingeren had daarbij de ambitie dat het gebouw een plek in de alledaagse routine van de buurtbewoners moest verwerven. Het was een gebruik dat aangeleerd moest worden. De sociale interactie moest kennelijk afgedwongen worden door middel van een ‘therapeutisch conflictmodel’. Maar zat men daar wel echt op te wachten? Van Klingeren constateerde dat de privé-sfeer werd uitgebreid ten koste van de samenleving: ‘wat men buitenhuis niet krijgt, wil men thuis vinden.’ Van Klingeren was er van overtuigd dat deze ontwikkelingen te stoppen waren door meer gemeenschappelijks te bouwen en minder voor het individu. Hij ging er dus vanuit dat een proces is ingezet dat omkeerbaar is: de privé-sfeer wordt uitgebreid omdat de gewenste gemeenschapsbeleving uit blijft. “Geef hun weer die gemeenschapsbeleving en zij zullen met het halve huisdomein (weer) tevreden zijn.” Het suggereert een causaliteit die in werkelijkheid niet bestond, en niet bestaat. De nieuwe genoegens van het privé-domein wogen juist sterk op tegen de belevingen van het gemeenschappijnlijke domein, en al helemaal tegen de belevingen van een sterk gemeenschappelijk ‘hinder’ model. Daarbij kwam het gevoel van een groeiende onveiligheid van het gemeenschappelijke domein. Er was dus steeds minder aanleiding de gemeenschap op te zoeken ook al werd die op een aantrekkelijke manier aangeboden.
“Multifunctionaliteit verscheen op het toneel als een vitamine tegen de vervreemding – een knaloranje multivitaminepil, bijna te groot om door te slikken.” (12) – Camiel van Winkel in ‘Moderne Leegte’
Moraliseer!
Van Klingeren’s multifunctionele gebouwen waren een ‘vol geprogrammeerde leegte’, waarbij de thema’s hinder en ontklontering synoniem waren voor overlast. Het waren kille plaatsen waar geen signatuur kon worden nagelaten, waar ontmoetingen niet in geborgenheid konden plaatsvinden en ruimtes nooit optimaal waren. De flexibiliteit in functies bleek contraproductief. Werkelijk nieuwe ontmoetingen en mogelijkheden bleven daardoor uit. Hij bracht botsingen tot stand, geen vruchtbare ontmoetingen. We moeten Van Klingeren meegeven dat hij als architect een poging deed in te spelen op de maatschappelijke veranderingen. Hij vond dat architectuur een rol had te spelen bij de totstandkoming van een betere, open maatschappij. Hij wilde daarom expliciet bouwen voor de gemeenschap. De gebouwde experimenten die hieruit voortkwamen oogstten destijds veel lof en publiciteit. Toch bleken de concepten te stug om de veranderende maatschappij bij te benen. Gaandeweg de jaren zeventig verminderde de tolerantie ten aanzien van en het openstaan voor experimentele ideeën. Het geloof in de maakbare samenleving vervloog en de publieke opinie over de Meerpaal en ’t Karregat sloeg om. Het geduld raakte op. Opeens waren beide gebouwen niet meer de beloftes voor een nieuwe betere toekomst maar de gedrochten van een irrationeel tijdperk (13). Hinder en ontklontering bleken niet in staat om grenzen te slechten. De architect Van Klingeren werd hiermee afgeserveerd als een ‘te moraliserende’ architect. De huidige generatie architecten zou toch lering moeten trekken uit engagement van Van Klingeren. Rem Koolhaas wees er in een interview met de kunstkrant “de witte raaf” op dat er een onherroepelijke dosis moralisme in iedere daad van bouwen zit. “Je kunt niet iets nieuws maken zonder de overtuiging te hebben daarmee iets noodzakelijks of zinvols aan de wereld toe te voegen.”(14) Weinig architecten lijken zich daar vandaag de dag nog van bewust.